top of page

All Posts

Op 28 februari 1776 arriveerde Quassie van Timotibo in Amsterdam, vergezeld door zijn vrouw en een bediende. In Suriname gold hij als een man van aanzien: bemiddelaar tussen gouverneur en planters, vrijgemaakt sinds 1755, en bekend om kennis die even bruikbaar als ongemakkelijk werd gevonden. Hij werd dan ook op persoonlijke audiëntie ontvangen door de Stadhouder en kreeg een zilveren nekschild. Volgens een verslag zou hij na terugkeer hebben opgeschept dat tijdens zijn verblijf in Holland een nieuwe regeling tot stand was gekomen: tot slaaf gemaakte personen zouden niet langer onmiddellijk vrij worden bij aankomst in de Republiek, maar pas na een verblijf van zes, eventueel twaalf maanden. Dat hij zichzelf als aanleiding voor deze maatregel aanwees, lijkt minder van belang dan het feit dat dergelijke berichten zich snel tussen Republiek en kolonie verplaatsten. Juridische onzekerheid reisde mee over de Atlantische Oceaan.


Enige jaren eerder had men in Engeland al geoordeeld dat slavernij zonder uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kon bestaan. In de Republiek kozen de Regenten een minder principiële weg. Op 23 mei 1776 namen de Staten-Generaal het plakaat “Omtrent de Vrijheid der Neger- en andere Slaven” aan. Het doel was niet zozeer de vrijheid vast te stellen, maar de omstandigheden waaronder zij geclaimd kon worden strikt af te bakenen.

 

Marytie Criool en haar dochter Jacoba Leiland

Aan deze regeling ging een reeks concrete gevallen vooraf, die het handelingsvermogen tonen van tot slaaf gemaakte personen binnen koloniale en juridische structuren van de Republiek. In 1771 vroegen Marytie Criool en haar dochter Jacoba Leiland de Staten-Generaal erkend te worden als vrije vrouwen en verlangden een document waaruit bleek dat zij niet langer als eigendom konden worden geclaimd. Hun eigenaar zag hen daarentegen als voortvluchtige slavinnen. De vraag die daaruit voortkwam, was tegelijk eenvoudig en lastig uitvoerbaar: kon een tot slaaf gemaakte persoon die zich in de Republiek bevond vrijheid opeisen tegen de wil van de eigenaar in?


Henricus de Vries had die kwestie al in 1764 behandeld in zijn proefschrift ‘De Jure Servorum tam veteri quam hodierno’. Hij begon zijn betoog met het bekende uitgangspunt dat een slaaf bij het betreden van de grenzen van de Republiek zijn natuurlijke vrijheid zou herkrijgen, om vervolgens onmiddellijk een voorbehoud te formuleren. Gold dat eveneens voor de voortvluchtige tot slaaf gemaakten? De Vries verwees naar uiteenlopende juridische autoriteiten, maar constateerde uiteindelijk dat het tegendeel waarschijnlijker leek.


De Landsadvocaat koos in de zaken van Marytie Criool en Jacoba Leiland voor een praktische benadering. In de Republiek bestond, zo stelde hij, geen onderscheid tussen vrije en onvrije personen. Tegelijk bleef de vraag relevant of iemand zich op slinkse wijze aan zijn eigenaar had onttrokken. Dat laatste werd niet abstract beoordeeld, maar aan de hand van enkele concrete details. Jacoba Leiland zou niet gevlucht zijn, omdat haar eigenaar kleding naar haar nieuwe verblijfplaats had laten brengen. Marytie Criool had het huis verlaten met toestemming van haar eigenaar en met haar schamele bezittingen; van een “clandestiene verstopplaats” was geen sprake geweest:


“dat de gem: Suppln, met kennis en bewilliging van haaren toenmaligen Heer en Eygenaar den voorn: Willem Hendrik van Steenberg herwaards gesonden of gebragt, mitsgaders hier te Lande gekoomen Sijn, en daar door haar Vryheid dadelyk en Wettelyk verkreegen hebben : mets Sij Supplianten geen brievens van Vrydom uit haare Slaverneij noodig hebben, en dat Sij Supplianten dienvolgende in Surinamen retourneerende, als Vrygelaate Persoonen Zullen worden geconsidereert, zonder dat deselve door of van weegens den gem: Willem Hendrik van Steenberg, als Syne Slavinnen, Sullen mogen gereclameert of als sodanige behandelt worden; En dat in het verder of ander Versoek van de gem: Supplianten niet kan worden getreeden, en het Selve mitsdien werd afgeweesen.” Nationaal Archief, 1.01.02, 11485, binnenlandse registers II, 30 juli 1771, fol. 616f.


Op grond daarvan concludeerde de Landsadvocaat dat beiden bij aankomst hun vrijheid “dadelyk en wettelyk” hadden verkregen. Hun verzoek om als vrijgeborenen erkend te worden werd echter afgewezen. Het onderscheid was van belang. Vrijgeborenen konden in Suriname niet opnieuw tot slaaf worden gemaakt; vrijgelatenen in beginsel wel. Zelfs vrijheid kende gradaties.

De kwestie bleef niet beperkt tot deze twee vrouwen.


In 1770 keerde de voormalige gouverneur van Suriname, Wigbold Crommelin, met zijn gezin en drie tot slaaf gemaakte bedienden terug naar de Republiek. Eén van hen, Joost of “Jonge Geluk”, was eigendom van de Sociëteit van Suriname. In Amsterdam verzocht hij om vrijlating. Het bestuur van de Sociëteit wees dat verzoek af en liet aan Crommelin de keuze: hij kon Joost overnemen tegen betaling van 1200 gulden en hem daarna vrijlaten, of diende hem terug te zenden naar Suriname. Crommelin verkoos het laatste. Joost werd in 1771 teruggestuurd.

De twee andere bedienden van de oud-gouverneur, Laloupe en Anna, bevonden zich in een andere positie. Zij werden in Breda gedoopt en vroegen via hun eigenaar om vrijlating. De Staten-Generaal namen aan dat zij door hun aankomst in de Republiek reeds vrij waren geworden en dat afzonderlijke vrijbrieven daarom niet nodig waren. Tegelijk werd benadrukt dat eerdere besluiten slechts betrekking hadden op individuele gevallen. De resolutie inzake Marytie Criool en Jacoba Leiland gold niet als algemene regel.


In Suriname leidde deze onzekerheid tot praktische problemen. Eind 1773 werd bepaald dat geen paspoorten meer zouden worden verstrekt aan tot slaaf gemaakte personen die naar de Republiek reisden zonder voorafgaande registratie. Schuldeisers van de eigenaar die wou vertrekken kregen gelegenheid om bezwaar te maken. Achter de juridische discussie lag een financiële werkelijkheid die zich minder aantrok van rechtsgeleerde subtiliteiten. Tot slaaf gemaakte personen waren onderpand, arbeidskracht en vermogensbestanddeel tegelijk, veelal van burgers en bedrijven in de Republiek. Toch ging de zaak van Marytie Criool en Jacoba Leiland rond zingen; er was blijkbaar ergens een mogelijkheid om vrijheid te verkrijgen – tot schrik van de eigenaren van slaven.


Dat bleek ook uit de zaak van Aron Jacobs Polak. Hij had vier tot slaaf gemaakte personen — Præsent, Jabelie met haar kind Branca en Claudina — naar de Republiek gebracht om hen een vak te laten leren. Volgens de eigenaar was het nooit de bedoeling geweest hen vrij te laten. Sommigen hadden al eerder in Holland verbleven zonder dat zij toen vrijheid hadden verkregen. De Staten-Generaal verklaarden dat de resolutie van 1771 op hen niet van toepassing was en bevestigden Polaks eigendomsrecht. Vrijheid hing kennelijk niet uitsluitend af van aanwezigheid op Nederlands grondgebied, maar ook van de omstandigheden waaronder iemand daar verbleef en de bedoeling van de eigenaar.


Barugh Lopes Lexo vreesde vervolgens dat zijn slaaf Cupido zich op vergelijkbare argumenten zou beroepen. Hij had de jongen in 1768 gekocht op een openbare veiling en hem later meegenomen naar de Republiek, als slaaf. In 1776 zocht Lopes de zekerheid dat Cupido niet zomaar vrij zou worden beschouwd op grond van eerdere resoluties of nieuwe plakkaten. De Staten-Generaal bevestigden opnieuw dat de eerdere besluiten slechts particuliere gevallen betroffen en dat Cupido eigendom van Lopes bleef. Het oordeel: geen rechter in Suriname mocht anders oordelen.


Nog gecompliceerder waren de zaken waarin vrijheid, financiële schulden en familiebelangen door elkaar liepen. De weduwe T.W. van Rees, gesteld op haar voormalige bedienden, dacht dat Blondin en Sabina vrij waren geworden tijdens een verblijf in Europa en daarbij niet tot het verhypothekeerde plantagebezit behoorden. De nieuwe eigenaren van de plantage dachten daar anders over. Omdat de plantage inclusief haar “bezittingen” als onderpand had gediend, meenden zij ook aanspraak te kunnen maken op Blondin en Sabina. De gouverneur van Suriname verwees de kwestie door naar de Staten-Generaal. Het geschil ging formeel over status, maar in de praktijk over de waarde van de zekerheden.


In dezelfde periode speelde de zaak van Andries. Hij had met zijn eigenaar de heer Buttner in Utrecht gewoond, was daarop vrij, een man "die als een bequaam Kok, Paruikemaaker en Chirurgyn, indien hy wil eenen aansienlyken stuiver kan verdienen". Na de dood van zijn eigenaar dwong de weduwe Buttner-Papot hem financieel bij te dragen aan de ernstig noodlijdende boedel. Toen Andries dit weigerde en zich bovendien (in haar ogen) weinig eerbiedig tegenover haar gedroeg, stelde zij dat hij zijn vrijheid had verspeeld en opnieuw tot slaaf gemaakt moest kunnen worden. Haar advocaat beriep zich uitvoerig op het Romeinse recht, waarin vrijgelatenen verplichtingen tegenover voormalige eigenaars behielden en in sommige gevallen zelfs opnieuw in slavernij konden vervallen, en een Surinaamse plakaat uit 1741. Het kon toch niet zo zijn dat door een overtocht naar Holland men eigendom verloor: "daar voor noemde Andries niet door eigen vrye wil uit de Slavernye is ontslaagen, nog ook sijne Vrybrieven van den Ed. Agtbaare Hove is hebbende, neen maar alleen sijnen vrydom pretendeerende, om dat hy eens met sijne overleedene Meester, en nog eens met de Suppliante in den Vaderlande is geweest, het welk hier voormaals nooit in usantie, en ook by de Suppliante gantsch onbekent geweest, edog het welk, soo sy vernoomen heeft, als in een speciaal geval soude verstaan zyn by onsen wettigen Souverain."  De juristen in Republiek van de achttiende eeuw beschikten over een opmerkelijk vermogen om antieke rechtsregels en de vrijheid van eigendom dienstbaar te maken aan de privébelangen van enkele planters.


De Staten van Holland en de bestuurders van de Sociëteit van Suriname zagen de kwestie vanuit een bestuurlijk oogpunt. De resoluties van 1771 en 1773, zo stelde men, waren administratieve besluiten en geen algemene wetten. Alleen wie met toestemming van de eigenaar én met de bedoeling om vrijgelaten te worden, naar de Republiek was gezonden, kon zich daarop beroepen. Wie zonder zo'n uitdrukkelijke bedoeling tot vrijmaking teruggezonden werd naar Suriname, bleef slaaf. Onteigening (door aankomst in de Republiek) kon slechts op grond van wetgeving plaatsvinden; gewoonte of algemeen rechtsgevoel volstonden niet. Dat slavernij essentieel werd geacht voor de koloniale economie, was de grondslag van deze redenering voor de bestuurders.


De juristen die zich over de zaak van Andries bogen, wezen erop dat de vaak aangehaalde rechtsgeleerden elkaar vooral citeerden. De verwijzingen naar Amsterdamse en Antwerpse costumen betroffen bovendien slechts personen die in de Republiek bleven. Gebaseerd op de Instructie van de Staaten Generaal voor de geconquesteerde plaatzen in Brasil (1636) waren ‘alle de wetten en constitutien’ van het Romeinse recht van toepassing. Dus, zo concludeerde men – zonder bronvermelding – dat onder het Romeinse recht "zeker geen slaaf vrijheid ontving enkel bij aankomst in een land waar slavernij onbekend was". In de Republiek werd de slavenstatus slechts "opgeschort". De eigendomsverhouding bleef bestaan. In de “Vaderlandse Vrijheid” bleek de vrijheid van eigendom uiteindelijk steviger verankerd dan de persoonlijke vrijheid van degene op wie dat eigendom betrekking had.

Al deze zaken, waarin de aanwezigheid en rechtspositie van tot slaaf gemaakte personen uiteindelijk tot op het niveau van de Staten-Generaal werden besproken, versterkten de behoefte aan een algemene regeling. Voor de Regenten was het weinig aantrekkelijk zich herhaaldelijk over dergelijke particuliere kwesties te moeten buigen. Tegen die achtergrond en de financiële crisis in Suriname kreeg het plakaat van 23 mei 1776 zijn definitieve vorm. Het bood geen principiële oplossing, maar was enkel een poging om een bestaande praktijk te reguleren. In deze jaren groeide bovendien de voorkeur voor codificatie: duidelijk geformuleerde en formeel uitgevaardigde regels, niet alleen met betrekking tot de status van tot slaaf gemaakte personen, maar ook ter modernisering van het bestuur van de Republiek in bredere zin. De zaken van Marytie Criool, Jacoba Leiland, Joost, Cupido, Blondin, Sabina en Andries maakten zichtbaar hoe star werd vastgehouden aan aloude principes, waarbij de bescherming van eigendom boven de persoonlijke vrijheid van mensen werd gesteld. De ideeën van de Verlichting hadden nog geen voet gevat bij de Regenten.


De Staten van Holland en de Sociëteit van Suriname stelden uiteindelijk een wetsontwerp op over de status van tot slaaf gemaakte personen die zich in de Republiek bevonden. Daarbij werd een onderscheid gemaakt dat in de praktijk beslissend zou blijken. Wie met toestemming van de eigenaar naar de Republiek was gekomen met het uitdrukkelijke doel te worden vrijgelaten, kon vrijheid verkrijgen. Wie daarentegen slechts tijdelijk was meegebracht om een taak te vervullen of een ambacht te leren, en geacht werd terug te keren naar de kolonie, bleef slaaf. Achter deze redenering lag een eenvoudig uitgangspunt: automatische vrijheid zou neerkomen op onvrijwillig eigendomsverlies. Dat achtte de bestuurders niet alleen nadelig voor planters in Suriname, maar ook voor schuldeisers en hypotheekhouders in de Republiek, wier zekerheden uiteindelijk bestond uit de plantages en de mensen die daar gedwongen arbeid verrichtten.


Op 19 februari 1776 werden de relevante stukken aan de Staten-Generaal voorgelegd.


De gedachte dat iemand reeds door de enkele aanwezigheid op Nederlandse bodem vrij werd, werd in het wetsontwerp uitdrukkelijk verworpen. Wie als slaaf uit de koloniën arriveerde, bleef dat in beginsel in de Republiek ook. Alleen personen die vóór vertrek rechtsgeldig manumissie hadden verkregen, werden zonder meer als vrij erkend. Zij konden niet opnieuw tot slaaf worden gemaakt en waren geen verplichtingen meer verschuldigd aan voormalige eigenaars. Bij terugkeer naar de koloniën gold hun status als die van vrijgelatene.

Voor andere personen gold een termijn. Tot slaaf gemaakte personen moesten binnen zes maanden worden teruggezonden, met de mogelijkheid van verlenging tot twaalf maanden. Wie langer in de Republiek verbleef, kon volgens de tekst van het plakaat vrijheid verkrijgen. In de praktijk functioneerde deze termijn echter minder als bescherming van persoonlijke vrijheid dan als administratief instrument ter bescherming van eigendomsrechten. Overschrijding leidde niet vanzelfsprekend tot vrijlating.

Daarbij waren er nog meer uitzonderingen in het plakaat geformuleerd. Tot slaaf gemaakte personen die deel uitmaakten van verhypothekeerde plantages of als onderpand voor schulden dienden, vielen buiten de regeling. Het belang van schuldeisers woog zwaarder dan eventuele aanspraken op persoonlijke vrijheid. Juist omdat een groot deel van de Surinaamse plantage-economie op krediet draaide, bevond het grootste deel van de tot slaaf gemaakte personen zich in deze categorie. Hun arbeid leverde niet alleen opbrengst op, maar vertegenwoordigde tevens kapitaal waarmee omvangrijke leningen konden worden verkregen.

Niet iedereen legde zich zonder meer neer bij deze ontwikkeling. In Zeeland bleef de gedachte van “vrije grond” rondzingen, en de Staten van Zeeland weigerden dit plakaat uit te vaardigen in de provincie. In Overijssel sprak Joan Derk van der Capellen zijn verbazing uit over de summiere behandeling van een regeling die, naar zijn oordeel, het eigendom over mensen door de hoogste overheid liet bevestigen. Zulke bezwaren veranderden weinig aan de uiteindelijke praktijk. De regeling, en dan vooral de termijn van twaalf maanden waarna men vrij zou worden, werd toegepast met een opmerkelijke soepelheid zodra eigendomsbelangen daarom vroegen.


Dat bleek in 1778, toen een Surinaamse planter probeerde te voorkomen dat drie kinderen — Cupido, Betje en Mimi — vrij zouden worden. Zij waren door zijn vrouw naar de Republiek meegenomen. Zowel de eerste termijn van zes, als de verlenging tot twaalf maanden waren verstreken, maar de terugreis liep vertraging op omdat het schip nog niet gereed was. Opnieuw werd uitstel gevraagd, en stemden de Staten-Generaal daarmee in. De termijn die op papier een grens markeerde tussen slavernij en vrijheid, bleek rekbaar zolang belangen dat noodzakelijk maakten.


De toepassing van het plakaat was bovendien weinig consistent. Laurens Wijbrands Beth kreeg in 1781 toestemming de termijnen te negeren omdat oorlogsomstandigheden terugkeer per schip naar Suriname verhinderde. Zijn huishoudster Minerva verbleef daardoor langer in Holland dan formeel was toegestaan, zonder dat de vraag naar haar vrijheid centraal kwam te staan. In een vergelijkbare zaak verkreeg Domingo Contini toestemming om Haguerts alsnog naar Curaçao terug te sturen nadat de termijn al lang was verstreken. Het beginsel dat verblijf van meer dan twaalf maanden tot vrijheid leidde, werd door de Staten-Generaal zelden strikt toegepast.

Juist daarom valt de zaak van Geduld op. Jan Plateau had nagelaten tijdig verlenging aan te vragen na twaalf maanden en probeerde de verantwoordelijkheid daarvoor bij zijn advocaat te leggen. Ditmaal zonder succes. De termijn was verstreken en de Staten-Generaal verklaarden Geduld vrij. Het plakaat bleek dus soms gevolgen te hebben voor de betrokkenen, al leek dat eerder afhankelijk van procedurele misslagen dan van een consequent toegepast beginsel.

Een vergelijkbare verschuiving deed zich voor in de zaak van Joseph, een man die als krijgsgevangene tot slaaf was gemaakt en naar de Republiek was gebracht. Na het overlijden van zijn eigenaar probeerde een erfgenaam hem als bezit op te eisen. Joseph beriep zich op de tekst van het plakaat, waarin alleen aan de oorspronkelijke eigenaar het recht werd toegekend om terugzending te verlangen. De Staten-Generaal volgde die redenering. Een regeling die in hoofdzaak bedoeld was om eigendomsrechten te beschermen, bood hier onverwacht ruimte voor vrijheid.


Door het plakaat veranderde onder rechtsgeleerden het accent in het debat. Waar eerder nog werd verdedigd dat slavernij in de Republiek geen rechtsgrond had, verschoof het debat na 1776 merkbaar richting bescherming van eigendom. De redenering was tamelijk eenvoudig: een rechtmatig elders verkregen eigendomsrecht kon moeilijk geacht worden vanzelf te verdwijnen zodra iemand de Republiek betrad, tenzij een uitdrukkelijke wettelijke bepaling dat voorschreef. De gedachte van “vrije grond” verloor daardoor terrein, nu het tegendeel formeel was vastgelegd.


Het plakaat probeerde twee kwesties tegelijk te reguleren: de status van tot slaaf gemaakte personen tijdens hun verblijf in de Republiek en hun positie bij terugkeer naar de koloniën. De praktijk bleef echter weerbarstig. In de koloniën zelf werd de werking van het plakaat verder beperkt. Vrijgelatenen die uit de Republiek kwamen moesten aantonen dat zij zelfstandig in hun onderhoud konden voorzien; ontbrak die zekerheid, dan werd hun vrijheid niet erkend.

  

Wat zich uiteindelijk aftekent, is minder een gesloten juridisch systeem dan een voortdurend schipperen tussen vrijheid, eigendom en bestuurlijk-juridische geitenpaadjes. Het plakaat van 1776 pretendeerde duidelijkheid te brengen, maar maakte vooral zichtbaar hoe een lange traditie van vrije grond, vrije lucht, of hoe het genoemd moet worden, slechts bestond indien de vrije wil van de eigenaar hiermee instemde. Het automatisch verkrijgen van vrijheid door tot slaaf gemaakte personen die in de Republiek aankwamen, zou leiden tot onvrijwillig verlies van eigendom voor de eigenaren, en zoe iets was een geheel onwenselijk scenario.

 

Blondin en zijn gezin

In mei 1776 werd het plakaat afgekondigd, maar daarmee was de positie van Blondin en zijn gezin allerminst opgehelderd. De stukken van de Staten-Generaal boden geen duidelijke aanwijzing over de wijze waarop hun geval moest worden behandeld. Tijdens de winter van 1776-77 wenden de Amsterdamse eigenaars zich opnieuw tot de Staten-Generaal, terwijl Blondin zich inmiddels in Den Haag bevond. Hij was in oktober 1775 vrijwillig in dienst getreden van Jan Willem van Oldenbarnevelt, schoonzoon van de weduwe Van Rees en kapitein in het regiment van kolonel Fourgeoud. Blondin had onder Fourgeoud deelgenomen aan expedities naar de binnenlanden tijdens de Marronoorlog in Suriname en was vervolgens met Van Oldenbarnevelt naar de Republiek teruggekeerd. Voor zijn vertrek had hij in Suriname zelfs publiekelijk afscheid genomen van vrienden en kennissen.


Op 30 december 1776 behandelden de Staten-Generaal een verzoek van Valckenier en du Quesne, die zochten naar een bevestiging van hun eigendomsrechten op Blondin en Sabina. Volgens de zakenlieden waren de resoluties uit 1771 niet op de familie Blondin van toepassing en bleef het eigendom bij hun handelshuis berusten. Uit de stukken blijkt niet dat Blondin of Sabina vooraf in deze zaak werden gehoord. Valckenier en du Quesne verzochten bovendien toestemming om, indien nodig, met behulp van een deurwaarder en “sterke hand” de familie in hechtenis te laten nemen en terug te sturen.


Toen Blondin, Sabina en hun zoon Cicero van dit besluit vernamen, dienden zij op 20 januari 1777 zelf een verzoekschrift in bij de Staten-Generaal. Blondin en Sabina stelden dat zij vrije personen waren geworden doordat zij met medeweten en toestemming van hun eigenaar naar de Republiek waren gekomen. Hun zoon Cicero, geboren na het bezoek aan de Republiek, moest daarom als vrijgeboren worden beschouwd. De redenering sloot nauw aan bij die in de zaken van Marytie Criool en Jacoba Leiland enkele jaren eerder.


De snelheid waarmee het verzoekschrift werd opgesteld, wijst erop dat Blondin over invloedrijke bescherming beschikte. Die had hij dan ook, hij diende immers in het huishouden van Jan Willem van Oldenbarnevelt, terwijl het verzoekschrift zelf werd opgesteld door Hendrik Justus van Oldenbarneveld, ook bekend als Witte Thullingh, advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij de Raad van Brabant en het Land van Overmaas. Dat enkele Amsterdamse kooplieden overwogen een deurwaarder naar de woning van een Van Oldenbarneveld te sturen, werd door deze Regenten opgevat als een regelrechte aantasting van hun waardigheid en status, het was ongehoord. Toch bleek het zelfs voor de advocaat-fiscaal moeilijk om in het verzoekschrift een sluitende juridische grondslag voor Blondins vrijheid aan te wijzen. Uiteindelijk verwees ook hij hoofdzakelijk naar de zaak uit 1771.


Enkele dagen later werd de zaak Blondin opnieuw voor de Staten-Generaal behandeld. Ditmaal klaagden Valckenier en du Quesne dat juist hún rechten ernstig waren geschonden, omdat zij onvoldoende gelegenheid zouden hebben gehad hun argumenten uiteen te zetten. De uitgebreide juridische redeneringen van Van Oldenbarneveld over vrijheid en verblijf in de Republiek maakten uiteindelijk weinig indruk. De Staten-Generaal besloten dat, waar Blondin en zijn gezin zich ook bevonden, door de lokle overheid de nodige assistentie moest worden verleend om hem in handen van Valckenier en du Quesne te brengen en hem vervolgens op hun kosten naar Suriname terug te sturen.


De vertegenwoordigers van Gelderland, Friesland, Overijssel en Groningen stemden met deze oplossing in en erkenden daarmee impliciet de slavernijstatus van Blondin, Sabina en Cicero. Zeeland en Utrecht verzetten zich daarentegen tegen deze wijze van afhandeling. Ook hier bleek dat het recht niet geheel met één stem sprak, al veranderde dat weinig aan de uitkomst voor de betrokken familie -- al weten we niet hoe het is afgelopen.


Bastiaan D. van der Velden


De bij de bovenstaande tekst behorende bronvermeldingen zijn te raadplegen in mijn publicatie: https://doi.org/10.4324/9781003706755


plakaat van 1776
plakaat van 1776

 

 
 
 
  • Foto van schrijver: bastiaandavidvande
    bastiaandavidvande
  • 18 jan
  • 2 minuten om te lezen

In 18th-century Amsterdam, enslaved people lived in the shadows of the city’s wealth and power, their family lives often denied and barely recorded.  In 1656, the burial register of the Sint Antonieskerkhof records for example the funerals of several inhabitants of Amsterdam of African descent and notes, for example, that on July 19, 1656, a “child of a Black slave” was buried there; however, neither the name of the mother nor the child is provided.

One of these rare surviving accounts sheds light on such lives, revealing the story of Lucretia, an enslaved woman of African descent, and her partner Claes, an enslaved man living in the same household.

On April 18, 1702, Lucretia gave birth to a son in the home of Belida Struijs, the widow of Christiaen Crijger, where both Lucretia and Claes were staying. Four years later, on October 11, 1706, a notary visited Struijs’s house to record what had happened. Witnesses noted that Lucretia had delivered a healthy child and that Claes was indeed the father. The child was formally handed over to him, and the witnesses acknowledged his paternity, wishing him well. The notary recorded:


The witnesses were present at the appellant’s house and saw a certain slave or Black woman named Lucretia had given birth to a son. It was noted that the after-work still had to be done for her, prompting the first witness to offer to do it in the presence of the second witness. The second witness then asked Lucretia who the father of the child she had just delivered was, to which she replied Claes, another Black enslaved man, residing at the appellant’s house. Subsequently, the first witness asked Claes if he was indeed the father of the child, to which he confirmed. The first witness then handed over the child to Claes, acknowledging him as the father and wishing him well, a gesture Claes accepted and expressed gratitude for. The witnesses testified, based on their knowledge, because they had personally observed it. (NL-SAA, Notariële archieven, 5075, inv. no. 4793B, Notaris Francois Meerhout jr. (1655–1740), Oct. 11, 1706)


This small moment, recorded in legal documents, is striking because it gives a name and agency to people who were otherwise erased from official records. Lucretia’s child does not appear in Amsterdam’s Protestant baptismal records of these days, highlighting how the lives of enslaved families often went unrecognized. The notary’s visit may have led to legal proceedings, as Struijs authorized a lawyer in the same period to act on her behalf in court—a small thread of a possible family drama, and perhaps research in the Amsterdam court archives will shed more light on this incident.

What emerges from this record is a glimpse of humanity: Lucretia and Claes as parents, navigating life under slavery, asserting their bonds even in a system designed to deny them. It reminds us that behind every sparse archival entry lies a rich, often painful human story.

 

 
 
 
  • Foto van schrijver: bastiaandavidvande
    bastiaandavidvande
  • 13 dec 2025
  • 3 minuten om te lezen

When the northern Low Countries broke away from Spanish rule in the late sixteenth century, the shift was felt far beyond Europe. What had once been a relatively faraway region within the vast Habsburg Empire—largely focused on Baltic trade—quickly became a rising maritime power. At sea, Dutch ships challenged Spanish dominance by attacking shipping routes that carried colonial goods from the Americas and Africa to Europe. This naval expansion would soon bind the young Republic to colonial exploitation and slavery.


The jurist Hugo Grotius famously argued that slavery no longer existed as a lawful institution in the Netherlands. Practice tells a different story. Enslaved people appeared in the Republic not only as prisoners of war but also as commodities, and private law was increasingly used to protect the property claims of those who owned them.


By the 1590s, Dutch ships were routinely involved in slave transport. In 1594, a skipper from Zutphen delivered what sources described as “a barge full of slaves” to Cape Verde. A year later, Dutch vessels off the coast of Guinea encountered several ships carrying “sugar and blacks” under the command of a Dutch captain, who transported the enslaved people to Lisbon. In 1596, an Amsterdam captain carried fifty-eight enslaved Africans from Angola to southern Portugal on behalf of a Portuguese merchant. These voyages show how deeply Dutch maritime activity was already entangled with Atlantic slavery.


That same expansion brought enslaved Africans directly to the Netherlands. In 1596, at least one hundred enslaved people were landed in the port city of Middelburg. They had likely been captured during a privateering expedition or purchased in Guinea for resale in Brazil. The city council ordered their release, and Middelburg’s mayor, Adriaen Heindricxsen ten Haeff—also a founding director of the VOC—publicly supported this decision. He argued before the States of Zeeland that the men, women, and children brought from Guinea were baptized Christians and therefore could not be lawfully enslaved. No one, he insisted, could claim ownership over them.

The provincial authorities initially agreed, but the Africans’ freedom did not last. Pieter van der Haegen, a wealthy Rotterdam merchant and shipowner, appealed to the States-General, the highest governing body of the Republic. Although his first petition was rejected, the States-General soon reversed course. Within two weeks of the Africans’ arrival, it ruled that Van der Haegen could dispose of them “as he pleases,” and Zeeland was forced to comply. In doing so, the States-General placed the property rights of a Dutch citizen above the idea that freedom prevailed over slavery on Dutch soil.


Meanwhile, Dutch overseas ambitions were expanding even further. In the same year, a fleet led by Cornelis de Houtman sailed past the Cape of Good Hope for the first time, opening a direct route to Southeast Asia. During this voyage, two men—known as Laurens and Madagascar—were enslaved by the crew and taken to the Republic. They arrived in August 1597 near Texel, alongside Dutch and Asian sailors. On a later voyage, Laurens, identified as coming from Madagascar, was baptized.


The return in Amsterdam of the second voyage to the East Indies, under the leadership of Jacobus van Neck, on July 19, 1599. The four large ships Mauritius, Hollandia, Overijssel and Vriesland on the IJ surrounded by numerous small boats. In the distance on the right the profile of Amsterdam. Hendrik Cornelisz Vroom (1566–1640), 1599, Rijksmuseum, Amsterdam
The return in Amsterdam of the second voyage to the East Indies, under the leadership of Jacobus van Neck, on July 19, 1599. The four large ships Mauritius, Hollandia, Overijssel and Vriesland on the IJ surrounded by numerous small boats. In the distance on the right the profile of Amsterdam. Hendrik Cornelisz Vroom (1566–1640), 1599, Rijksmuseum, Amsterdam


The journey that brought Laurens to Holland is often seen as the beginning of a new era. Over the following decades, the Dutch Republic would become the center of a global empire, stretching from Asia to the Americas and supported by trading posts around the world. Slavery became firmly embedded in the economic system of exploitation and the laws of the overseas colonies—and increasingly, it also became a legal issue in the Republic's territories in Europe, because it was a privilege of high-ranking officials to bring enslaved people with them to Europe, where they could serve as domestic attendants, sexual property, or symbols of status.


(Detailed data and references in footnotes can be found in Bastiaan D. van der Velden – The Legal Framework of Slavery in the Dutch Republic and Its Colonies, 2026)


 
 
 

© 2025 By B.D. van der Velden. Proudly created with Wix.com

bottom of page